Content voor Ingelogde Gebruikers
071 - 579 09 02 info@brand-wijn.com mijn account

Reisverslag Toscane juli 2011

Dit jaar hebben Joris en ik een rondje Toscane gemaakt, vooral om de vaste leveranciers daar te bezoeken, rustig te proeven en wellicht ter plaatse nieuwtjes te vernemen. Op dinsdag 19 juli vlogen wij ’s morgens van Amsterdam naar Bologna. Het is altijd een verrassing welke ontembare machine de autoverhuurder, al dan niet in opdracht van Joris, ons toedenkt. Deze keer was het een Alfa Romeo Giulietta. We waren dus al snel in Chianti en aten een broodje in de bar aan het marktplein van Tavarnelle. Qua volume een Nederlandse lunch, qua sfeer en beleg helemaal Italiaans. Toen naar Fattoria Masseto van de familie D’Aubert in La Piazza di Sopra, welbekend van zijn olijfolie en agriturismo-huizen. De druiven uit  de bijbehorende wijngaard  werden tot voor kort verkocht, maar sinds kort oogst zoon Filippo ze zelf en maakt er een Chianti Classico uit. In totaal is er 5 à 6 ha, waarvan een deel nog jong, want geplant door Filippo. Masseto beschikt niet over een behoorlijke kelder; daarom heeft Filippo met een paar vrienden in vergelijkbare omstandigheden samen een kelder gehuurd en ingericht voor vinificatie, rijping en botteling. Slechts een klein deel van de opbrengst wordt daadwerkelijk gebotteld, de rest wordt verkocht op tank. Chianti Classico dus, 100% Sangiovese, één enkele kwaliteit, die naar onze mening ook makkelijk voor een goede Riserva zou kunnen doorgaan. Masseto ligt vlak bij Panzano (gemeente Greve) en Barberino, maar valt zelf in de gemeente Castellina. Helaas was Filippo zelf afwezig, door de burgemeester van Castellina opgetrommeld voor een reisje naar een dorp in Frankrijk waarmee Castellina een stedenband heeft, maar de ontvangst door zijn ouders (zeer oude bekenden) was allerhartelijkst en de wijn erg goed.   

Naar Isole e Olena was maar een kwartiertje rijden. Wij hebben deze keer de meeste tijd doorgebracht in de wijngaarden en met eigen ogen het verschil in kleuring gezien tussen de verschillende druivensoorten en hoogten. Het hoogste deel van Olena ligt op 480 meter, het laagste op 330 meter. Hier en daar zagen we ook slachtoffers van de Mal d’Esca, een schimmel binnen in de wijnstok die de doorstroming van water belemmert totdat de plant het plotseling begeeft. Een infarct, zoals Paolo het noemde. Het is al jaren de vraag door welke oorzaak deze ziekte de laatste 15 à 20 jaar zoveel vaker optreedt in Toscane. De verklaring is nu dat de extreme vorst van 1985, waaraan veel olijfbomen zijn bezweken, maar de wijnstokken op het eerste gezicht niet, toch bij die planten kleine beschadigingen heeft veroorzaakt waardoor de Esca-schimmel kon binnendringen. Cabernet Sauvignon heeft er het meest van te lijden, maar ook veel Sangiovesestokken zijn al vervangen. Terwijl jarenlang geklaagd werd over de zwijnenplaag, zijn het nu reeën die de meeste schade aanrichten aan de wijngaarden. Een kleine troost is dat het vlees (gestroopt, jagen mag niet) smakelijker is dan dat van de zwijnen. Aan de achterkant van Isole staat nu een grote batterij zonnepanelen die voldoende stroom voor het hele bedrijf oplevert. Van de geproefde wijnen vonden wij de Chianti Classico ’09 (***** in Decanter) zeer fruitrijk (bessen), aards, fris en tevens smooth; Paolo ziet als grootste pre van deze wijn en als vakkundige prestatie van hemzelf dat de ’09 minder alcohol heeft dan de ‘08 . Cepparello ’08 is nog strak maar zeer complex, Cabernet Sauvignon ’04 rijk en extreem genuanceerd. In deze wijn zijn kleine percentages Cabernet Franc, Merlot en Petit Verdot verwerkt, maar meer dan 85% is Cabernet Sauvignon. Een geval apart is de zeer verleidelijke Syrah ’06; in dat jaar had Paolo een groepje enologen (‘oenologists’) uit Australië op stage, onder wie een zoon van de halfgod Henschke. De helft van de Syrah-druiven is gevinifieerd door Paolo, de andere helft door de Australiërs, geheel naar hun inzichten. Later zijn de twee partijen samengevoegd. De Australische stijl, met een sterkere nadruk op fruit en een risico van een ‘jammy’ wijn, is dus in die 2006 gecombineerd met de strakkere stijl van Isole. Zoals bekend kan Paolo het experimenteren niet laten. Hij werkt nu aan een zoete wijn naast de Vin Santo, niet uit lang gedroogde druiven en niet oxidatief opgevoed. Er is altijd wat nieuws te beleven op Isole, maar nooit ten koste van de vertrouwde stijl en kwaliteit van de meest karakteristieke wijnen, Chianti en Cepparello.   

De nacht brachten wij door in het hotelletje Madonna di Pietracupa langs de weg van San Donato naar Castellina. Eigenlijk een restaurant met een paar kamers, maar helaas was het als restaurant die dag dicht. Daarom togen wij om te eten naar La Gramola in Tavarnelle; de stijl van dit eethuis is altijd on-, om niet te zeggen antipretentieus geweest. Karakteristieke, smakelijke gerechten en goede, ook welbekende, wijnen zonder verdere poespas. Deze keer vond ik de spijzen niet inspirerend en de bediening niet erg vriendelijk. Ter voorkoming van een tunnelvisie dronken wij twee Chianti Classici: Poggio Bonelli ’09, als altijd aangenaam en karakteristiek, en Capannelle Riserva ’07. Die laatste, een wijn met een hoge reputatie (en prijs), had ik eerder dit jaar bij een proeverij in Amsterdam erg gewaardeerd om zijn finesse bij het luxueuze hout, maar in Tavarnelle vonden wij het zuur erg prominent.

Voor woensdag stond Capezzana, in Carmignano, op het programma. Omdat wij tijd over hadden, reden wij eerst langs de abdij van Passignano. Vijftien jaar of langer geleden heeft Antinori dit sprookjesachtige complex gekocht, de abdij weer aan de kerk geschonken na bijna 200 jaar seculiere vervreemding en de wijngaarden uiteraard behouden. Naast het vanouds bestaande eethuis La Scuderia is er nu ook een chic restaurant annex verkooppunt van de Antinori-wijnen gevestigd. Vandaar reden wij over kleine weggetjes in noordwestelijke richting en staken bij Montelupo Fiorentino de Arno over. Bij Carmignano zagen we onder een stralende zon Villa Ferdinanda (‘met de honderd schoorstenen’) en zetten een stapje in het schilderachtige gehucht Artimino. Aan de andere kant van het dorp Carmignano bevond zich ons reisdoel, Capezzana. Ook op dit eerbiedwaardige landgoed, met een geschiedenis van meer dan 1200 jaar, staat een imposante Medici-villa uit de 16e eeuw (net als La Ferdinanda). Een verschil is, dat Villa Capezzana nog privé wordt bewoond, en wel in grootse stijl. Het is een levend museum, vol kunstschatten maar volledig in gebruik. Conte Ugo Contini Bonacossi, tegen de negentig, is de patriarch van Capezzana en eigenlijk van de wijnbouw in Carmignano. Vier van zijn kinderen en kleindochter Serena zijn werkzaam in het bedrijf. Van de bijna 1000 ha grond van Capezzana is nu 76 ha in productie als wijngaard en meer dan 100 ha is beplant met olijven. Zoon Filippo is de olijvenspecialist. Hij vertelde dat de olijfgaarden zijn opgesplitst in kleine percelen die afzonderlijk worden onderhouden door dorpelingen. Zij plukken ook de olijven en krijgen als beloning een deel van de olie, geperst in de high tech ‘frantoio’(olijvenpers) van Capezzana. Terwijl onder de oude ‘mezzadria’ (ruilpacht) de  boeren een stuk grond met gebouwen pachtten van de landheer en een deel van de opbrengst afstonden bij wijze van pacht, bewerken nu de landarbeiders (vaak hobbyisten) een stukje van het landgoed en ontvangen loon in natura. De lunch op Capezzana is een aparte belevenis, ongedwongen formeel. Over de tafelschikking is nagedacht, er wordt bediend aan tafel en er zijn bijna altijd gasten. De gerechten zijn zeer smakelijk Toscaans, wij aten risotto met courgettebloemen, geroosterde eend en parelhoen met veel rozemarijn, taart en vruchten. Van de wijnen was de Barco Reale vief en smaakrijk, de Carmignano Villa Capezzana ’07 (3 glaasjes in de Gambero Rosso) zeer spicy en rijk, de Carmignano Villa di Trefiano ’06 geraffineerd en de Ghiaie della Furba ’06 een enorme mond vol; lekker rulle tannine, massa’s materie, nu nog iets te jong. Ghiaie wordt tegenwoordig gemaakt uit Cabernet, Merlot en Syrah; in 1979 was het de eerste ‘Super Tuscan’ na Sassicaia waar geen Sangiovese in verwerkt was. Na dit uitstapje naar een andere wereld was het tijd voor het afscheid. Conte Ugo zei daarbij: ‘Kom nog eens terug, maar wacht niet te lang’. In het slaperige Carmignano bekeken wij nog het schilderij van de Visitatie door Pontormo (omstreeks 1530), volgens de kunsthistoricus Couprie het mooiste schilderij ter wereld. Maria en Elisabeth en hun twee dienaressen vullen bijna het hele doek, de achtergrond  is onwezenlijk en perspectivisch onmogelijk. Van het heldere groen en roze gaat een hallucinerende werking uit. Heel mysterieus in die lege kerk.

Hoe anders was Florence, helemaal niet leeg. Met ons sjokten talrijke toeristen langs de bezienswaardigheden. Ons hotel, Annalena geheten, bevond zich gelukkig in de rustiger wijk ten zuiden van de Arno. Het is een voormalig klooster en meisjesschool, met hoge trappen en geen lift, maar ook grote hoge kamers, nostalgisch tot antiek meubilair, veel ruimte en uitzicht op binnentuinen. Niet duur (voor Florence), een welkome tip van een vriend die in de buurt heeft gewoond. Op de nabije Piazza Santo Spirito is het goed toeven voor een drankje, geanimeerd maar veel minder toeristisch dan het gebied ten noorden van de rivier. Wij aten, op advies van Filippo Contini (‘als jullie het niet erg vinden tussen de Florentijnen te zitten’), in Ristorante Il Guscio, Via dell’Orto. Een gouden tip: simpel tentje met uitstekende Toscaanse gerechten en een heel goede wijnkaart met Toscaanse en andere wijnen. Zo dronken wij Soave La Rocca van Pieropan (uitstekend, rank, lang) en Chianti Classico ’07 Castello di Ama (geconcentreerd, karakteristiek, zeer goed). Het was een rijk gevulde dag.

De volgende morgen verlieten wij Florence en reden via Siena naar Montalcino. Bij Marcello Bucci op Collemattoni was een  nieuwe kelder in vergevorderde staat van aanbouw. Wij proefden allerlei wijnen uit het vat. Interessant vanwege de verschillen tussen de jaren die je al vroeg kunt waarnemen, maar verraderlijk omdat de wijn door diverse fasen gaat. Opvallend was het toegenomen gebruik van tonneaux, vaten van 500 of 600 liter, niet alleen op Collemattoni. In de jaren ’80 en ’90 zijn de vaak zeer oude grote vaten vervangen, in veel gevallen deels door de trendy barriques van 225 liter in navolging van Bordeaux en Bourgogne. Hoe kleiner het vat, hoe groter de invloed van het hout en hoe hoger de kosten van aanschaf en gebruik. Intussen is de consument een beetje uitgekeken op de overmaat aan hout in zijn wijn en lijkt men een middenweg in te slaan met de tonneaux. Tevreden klanten en minder kosten, een echte win-winsituatie. De Brunello ’07 van Collemattoni proefden wij uit de tank waar de wijn wachtte op botteling in september. Fruit, finesse, structuur, helemaal goed. In 2008 is de oogst bijna gehalveerd door hagel in augustus, op Collemattoni vooral een jaar voor Rosso di Montalcino en weinig Brunello . De ’09 heeft een goede structuur en complexiteit, ’10 is het beste sinds 2006. De diep gekleurde, stoere Rosso ’10, nu nog in grote vaten, wordt in februari 2012 gebotteld. Het begon tijd te worden voor het middagmaal. Het nabije gehucht Sant’Angelo in Colle telt twee goede restaurants; voor de Bistecca Fiorentina, waar Marcello duidelijk zin in had, moest je volgens hem perse naar Il Pozzo, verder niets ten nadele van Il Leccio. Inderdaad verscheen op het terras van Il Pozzo, comfortabel onder de parasol, een reusachtige en zeer smakelijk bistecca. Marcello stond er op zijn Brunello 2002 te schenken; een krachtig statement, een wijn uit zo’n beroerd jaar en toch verrassend smakelijk en harmonieus. Natuurlijk maakte de rijke ’99 erna meer indruk. Inmiddels was ook Marcello’s vriendin Francesca aan tafel verschenen; zij werkt als enoloog op het wijngoed van Gaja in Montalcino en komt verderop terug in het verhaal. Enigszins rozig verlieten wij de tafel en reden naar Pieri. Francesco Monaci gaf ons een instructieve rondleiding door de wijngaarden: de hoogste voor Brunello, wat lager op 150-160 meter die voor Rosso di Montalcino en nog lager, vlak bij de Orcia, de Cabernet en Merlot. Ook hier veel tonneaux, van 600 liter, en licht getoast zoals voor Pinot Noir. Na de oogst worden de druiven gecontroleerd op de ‘table des tris’, een lopende band, en twee dagen gekoeld op 16 graden; vervolgens gisten ze 5 dagen bij 28-30 graden en nog een aantal dagen bij 20 graden. De uitgesproken elegante stijl van de wijnen wordt zeker mede tot stand gebracht door deze weloverwogen ingrepen.

In Montalcino overnachtten wij in het hotelletje Il Rifugio d’Altri Tempi, ideaal gelegen tegenover de Fortezza (burcht), goedkoop en prettig, al was in het badkamertje enige acrobatiek vereist. Wij aten nog wat in Trattoria Porta Cassero, heel simpel en goedkoop ; vergelijkbare adressen zijn Osteria di Altri Tempi en Giulare. Al die tentjes hebben wel 20 of 40 Brunello’s op de kaart staan. In Montalcino draait echt alles om de wijn. De uitgestrekte gemeente telt slechts 5000 inwoners en meer dan 200 wijngoederen, de meeste heel klein. Het stadje is vergeven van de wijnwinkels en proeflokalen. De enoteca in de Fortezza, ooit een lokaal waar je vrijwel alle wijnen van Montalcino kon proeven voor een habbekrats, gaat nu op chic en biedt behalve Brunello’s ook Romanée Conti e.d. aan, uiteraard voor fabelachtige prijzen.

Vrijdagmorgen, Francesca Arquint (Zwitserse vader) komt weer in beeld. Na zijn spectaculaire successen in Barbaresco heeft Angelo Gaja zijn vleugels uitgeslagen buiten Piemonte en in 1994 in Montalcino het wijngoed Pieve di Santa Restituta gekocht. Gaja is zo beroemd dat alle wijnliefhebbers hem willen ontmoeten, zijn bedrijven bezoeken en zijn wijnen proeven. Ook voor een bezoek aan Gaja-Montalcino is toestemming uit Barbaresco vereist, maar goed, wij mochten. Francesca had dat donderdagmiddag geregeld. Het wijngoed ligt in het zuidwestelijke quadrant van de gemeente, naast Case Basse, het bedrijf van die andere tycoon, Soldera. Bij de Pieve ligt 16 ha wijngaard, maar later is nog 9 ha aangekocht in het noorden van de gemeente, bij Caparzo, waardoor een nieuwe, grotere kelder nodig was.  Die kelder is nu in aanbouw: geheel ondergronds, cirkelvormig en verdeeld over verschillende verdiepingen. De immense ruimte met ronde zuilen deed mij denken aan een Egyptische tempel, een decor voor een opvoering van Die Zauberflöte. Joris zag een James Bondfilm voor zich, met wijkende vloeren en geheime gevaren. In een deel van de oude kelder zijn een proeflokaal en een soort congresruimte ingericht; strak grijs en bruin met wanden van geoxideerd staal. Een en al modern design zij aan zij met het stoffige oude kerkje. Wij proefden twee Brunello’s van 2006: Rennina, een selectie uit verschillende percelen, en het vlaggenschip Sugarille, uit de gelijknamige wijngaard. Twee zeer gesoigneerde wijnen, Rennina nogal getoast met fijn fris bessenfruit, Sugarille dieper gekleurd, expressiever, compact maar elegant en met meer tannine. Mille Grazie, Francesca!

De hemel was blauw en helder, het begon warm te worden maar er woei ook een frisse wind, zoals het hoort in Montalcino. Dat is het geheim van de rijpe, gezonde Brunellodruiven. Hoe anders was het een paar uur later in Bologna: benauwd en broeierig, om maar te zwijgen over het herfstweer bij aankomst in Amsterdam.  Met af en toe zo’n uitstapje hebben wij een mooi beroep.                              

Huib Brand

Scroll naar boven